Zander Lamme > De Jas van Ome Piet

In Column, Gastblog by Elke Verwoerd

Leeuwarder Zander Lamme schrijft in het dagelijks leven voor de Telegraaf als verslaggever van wat er zoal gebeurt in provincie Friesland. Voor MNSKP houdt hij het wat dichter bij huis: het uitgaansleven in Leeuwarden. Op stap met Lou, Satte en Forse Jongen.
 

Foto door: Henk Breedenbach

Het driekoppige heerschap kiest bewust voor het café. Lou wil op z’n gemak nadenken over zijn leven. Satte heeft dat naar eigen zeggen de afgelopen weken al genoeg gedaan en wil gewoon wat gezelschap om zich heen. Forse Jongen zit ernaast in een spijkerjack. Hij heeft het erg koud, vertelt hij in de kroeg. Jaren geleden had hij de oude, warme jas van zijn oom gekregen, maar de jas was hem eigenlijk te groot. Hij woont nog bij zijn ouders en zijn moeder vond het een ouwe lullenjas en had hem in haar kast gehangen.

‘Omdat het vandaag zo koud is’, vertelt hij verder aan Lou en Satte, ‘wilde ik die jas aan. Ik vroeg mijn moeder: mam, waar is die jas gebleven?’
‘Die heb ik teruggegeven aan je oom en tante’, zei ze.
‘Vervolgens ben ik naar ze toe gegaan, ze wonen naast ons’, legt Forse Jongen Lou en Satte uit. ‘Maar mijn tante zei: die heeft Sjoeke Kingma.’

Forse Jongen keert zich af van zijn vrienden en begint iedereen aan te spreken die naast hem komt zitten. Zo leert hij die avond meerdere biografieën. De jongeman is blij dat telkens weer een nieuwe gast plaatsneemt op de kruk naast hem.

Keer op keer opent hij het gesprek hetzelfde: hij wijst naar de eigenaar die aan de achterkant van de zaak staat. Die staat daar altijd een beetje vreemd voorovergebogen te kijken naar een tv, waarop het nieuws of voetbal te zien is. Ondertussen rookt hij shagjes en kucht hij.

‘Die Jan’, zegt Forse Jongen dan, terwijl hij wijst naar de eigenaar die een wedstrijd van Feyenoord bekijkt. ‘Die leunt zo dicht op de tv dat hij bijna op het voetbalveld staat. Moet je je voorstellen dat die scheidsrechter op een gegeven moment zegt: ‘hé Jan, ga nu eens even aan de kant man. Zo kan ik toch nooit zien of het buitenspel is.’

Een oude heer die zojuist had plaatsgenomen, kijkt Forse Jongen met een grijns aan en wendt zich tot de barman. ‘Mag ik een Jever?’
‘Nee, die is op.’
‘Mag ik dan een De Koninck?’
‘Dát ziet er ook slecht uit. Ik ga het even checken.’

De barman loopt weg om pas tien minuten later terug te komen. Hij is een goede barman, maar behoort niet tot de snelsten. En wanneer hij bier tapt, doet hij dat verticaal en bezorgt hij het drankje een dikke schuimkraag.

‘Zeg’, begint Forse Jongen tegen de man naast hem, ‘wat kwam u binnen met een elegante jas.’
De man kijkt naar zijn lange, wollen jas en weer naar zijn buurman. ‘Die heb ik gekregen van Piet en Hennie.’
‘Dat zijn mijn oom en tante!’, antwoordt Forse Jongen.

Ineens veert hij op. ‘Dan bent u Sjoeke Kingma, de Friese landschapsschilder! En dan is dit die jas die ik vandaag had willen dragen.’
‘Je hebt mazzel, jongen’, antwoordt Sjoeke. ‘Toevallig woon ik hier toch naast. Neem jij hem maar mee en doe de groeten aan je oom en tante.’

Trots trekt hij de jas aan en verdwijnt in de nacht, Lou en Satte achterlatend met een forse rekening.  Satte kijkt naar de lege kruk van Forse Jongen. ‘Kastelein, kunnen wij onze rekening ook betalen met dit spijkerjack?’