Stoppen met roken én drinken

In Column by Elke Verwoerd

“Daar ga je toch niet weer zo’n moraalridderig stuk over schrijven, hè?”, zegt vriend B.

Beduusd kijk ik hem aan en probeer me naarstig te heugen wanneer ik de moraalridder uithing. Die pet zet ik maar sporadisch op. Eerder vroeg ‘ie nog of ik rood of wit wilde en ik antwoordde met: roooooosvicee. Het is laat op de avond en we doen bij hem thuis nog een drankje. “Wat ongezellig”, krijg ik terug. Dit terwijl ik mezelf veel gezelliger achtte dan smoordronken vriend H. die schreeuwend een standpunt wil maken, maar dat doet er blijkbaar niet zoveel toe. Ik plof neer in een stoel met een Appelsientje.

Het is maart, dat betekent voor mij een alcoholvrije maand. Vorig jaar deed ik voor het eerst mee met het 30 dagen IkPas-programma en dat beviel me eigenlijk prima. Ik dacht: dit ga ik behouden! Minder is meer! En daar schreef ik een column over, waar B. aan refereert. Niet zozeer moraalridderig, maar eerder… hoogmoedig? Optimistisch? Ik heb daar natuurlijk nooit een opvolging op gedaan. Zo weten enkel vertrouwelingen dat ik binnen een half jaar alweer jodelend op het Ruiterskwartier stond in de weekenden. En m’n poging te stoppen met roken was na twee en een halve maand ook al volkomen gesneuveld.

Stoppen met roken en drinken: de realistische weergave

Stoppen met roken én drinken. ‘Nou, nou, wat radicaal’, denkt u wellicht. ‘Het kan toch ook gewoon met mate?’ Maar natuurlijk kan dat. Daar begint het ook altijd mee. En dan gaat het van één, twee, drie, bier naar een mislukte handstand met een luchtgitaar. Tel er nog bij op dat ik sigaretten de hele avond gebruik als inhalator; wellicht snapt u dan dat ‘mate’ voor mij een verwerpelijk begrip heeft. Na B. z’n opmerking besloot ik maar eens te schrijven in het heetst van de strijd. Het geeft waarschijnlijk een meer realistische weergave dan de euforie van vorig jaar.

Hondsdegelijke hel

In één woord: hardcore. Ik vind de wereld stom, ik vind mezelf stom, ik vind alles gewoon heel erg stom. Waarom stop ik in vredesnaam met drinken én roken? Je stopt toch ook niet met seks én chocola? M’n concentratie is ver te zoeken. Ik vloek binnensmonds naar iedereen die een wijntje tot zich neemt. Zo lekker ontspannen, hè. Maar hey, THE KIDS AREN’T ALLRIGHT. De realiteit, lieve mensen, is keihard, echt waar.

En dan niet róken. Tjongejonge. Het is alsof het uit is met je vriend of vriendin, die je mishandelde, in een kelder opsloot en je voortand eruit sloeg en dat je dan nóg alleen de mooie dingen herinnert. Maar terug wil je niet meer. Althans, dat is wel zo verstandig.

JA, DUS!?

Na 22 dagen heb ik veel energie en voel ik me superhelder. Toch, het vergt wat om met je volledige bewustzijn in het leven te staan. Ik ken er genoeg die hunkeren naar rust van de continue gedachtestroom, naar zorgeloosheid en daarom een drankje nemen en het nachtelijke avontuur in gaan, waaronder ikzelf. “Je vindt het veel te leuk, dat uitgaan”, zei B. nog. “JA, DUS..!?”, riep ik haast uit. Het is zo. Ik houd ervan, van de gezelligheid, van andere mensen die genieten. Maar goed, gezellig kan het ook zijn zonder drank. Hiernaast heb ik niet besloten om in één keer een geheelonthouder te worden. Een maand is te overzien en ik mag mezelf graag uitdagen.

Laat wel wezen, het leven is er om beleefd te worden, vind ik. Hoe fijn is het om in het moment te zitten en het leven te nemen voor wat het is? Vrijheid is relatief. Dus in het moment zitten, niet nadenken over morgen, is zo’n beetje de best mogelijke compromis om vrijheid te ervaren. Maar dat gevoel van vrijheid bestaat ook bij de gratie van onafhankelijkheid. En afhankelijk: god, dat ben ik. Hence, de paradox.

“Geniet, maar zorg dat je er niet afhankelijk van wordt”

In m’n vorige column noemde ik mezelf al een hedonistje. Grondlegger van het hedonisme was Aristippos, die de enige waarheid zag in het genot van het “nu”. Heel radicaal had al het andere voor hem geen waarde. Aristippos wees de fysieke, tijdelijke behoefte niet af, wat Socrates wel deed. Hoewel het me heerlijk lijkt om zo te leven, puur op impulsen, lijkt het me niet heel realistisch en vraag me sterk af of dat nu zo gelukkig maakt. Veel wijzer zal je er niet van worden. De filosoof die erop voortborduurde was Epicurus, overigens m’n favoriet. Hij had het wat mij betreft goed: de mens streeft te allen tijde naar geluk. Welzijn bestaat uit het volgen van natuurlijke verlangens en toegeven aan de lusten. Príma levenskunst. Maar wel met de kanttekening: “Lust moet je vooral begrijpen als afwezigheid van pijn. Hebben we geen pijn, dan hebben we geen lust meer nodig”. Nu, ‘pijn’ klinkt wel wat zwaar, maar misschien in het licht van zorgen, geremdheid, onzekerheid of zelfs eenzaamheid is het wel te begrijpen. Doet me ook denken aan Godfried Bomans die schreef: “Wanneer de mens berust in haar eenzaamheid, zal het gras tussen de straatstenen groeien”. Verlangen zorgt voor beweging. Het belangrijkste volgens Epicurus is om inzicht te krijgen in die werkelijke behoeften, op welke manier je daarin voorziet. En “geniet, maar zorg dat je er niet afhankelijk van wordt”.

Zo’n maandje bezinnen is dus heel epicuristisch. Zo klinkt het weer lekker intellectueel. Het licht heb ik overigens nog niet gezien, hoor. Daar kan ik me door m’n rookstop nog onvoldoende op concentreren.

Ik moet even denken aan wat een goede vriend me ooit zei: niets is zwart-wit. Er is geen goed of fout; dat maken wij mensen ervan. Dat is even verontrustend als geruststellend. Het is allemaal niet zo radicaal. Genieten moet je doen met volle teugen en af en toe maak je de balans op. Zo zit ik in april wel weer aan een drankje, met mate – anders lig ik binnen een uur al hinnikend naast de barkruk.