Mata Hari: vooral slachtoffer van haar grote mond?

In Geschiedenis, Lekker lezen by Elke Verwoerd

“Het leven kan raar lopen” zal Margaretha Geertruida Zelle ongetwijfeld een paar keer gedacht hebben in de eenzaamheid van haar cel in de katholieke vrouwengevangenis Saint-Lazare aan de Boulevard Magenta. Een paar weken geleden vertoefde ze nog in luxueuze hotels en werd ze op handen en voeten gedragen door de mannen om haar heen die grote bedragen betaalden om haar lichaam te mogen zien.

Ze was Mata Hari, de exotische danseres. Dansend op gamelan muziek, zich één voor één van kledingstukken ontdoend. Parijs was als een blok voor haar gevallen. Ze danste op kunstenaarsfeesten in Montmartre, in voorname salons en later in menig Parijs’ café. Ze bedacht met veel plezier verhalen over haar koninklijke Javaanse jeugd en over de oorsprong van haar dansen. Dan sprak ze met een zwaar Oosters accent: “In mijn jeugd, toen ik voor de radja’s danste, aan de oevers van de Ganges…” Wisten zij veel dat ze slechts een middenstandsdochter was uit Leeuwarden. Niemand die ooit de moeite nam het te checken.

Ze maakte er geen geheim van dat ze hield van seks en ook niet dat ze hield van geld in dat opzicht. Ze liet zich onderhouden door meerdere minnaars en had een voorliefde voor officieren. Dus, ja, ze kende genoeg officieren en ook Duitse. “De officier is in mijn ogen een hoger wezen, een held, steeds bereid tot het trotseren van alle gevaren, tot het beleven van alle avonturen”, zei ze nog in één van de verhoren. Ze hield er ook van: de glamour, de aandacht, de luxe.

Mata Hari. Hier, in Saint Lazare, is ze ineens weer Margaretha. Zonder enige vorm van opsmuk, met warrig haar en kleding zo kleurloos als haar situatie. Beticht van spionage.

Op 13 februari 1917 stonden er ineens zes politieagenten voor de deur van haar hotelkamer in Élisée Palace Hôtel. Volslagen onverwachts. “Mademoiselle Zelle”, sprak de politie-inspecteur. “Marguerite, bijgenaamd Mata Hari, wonende in het Palace Hotel, religie protestants, vreemdelinge, geboren in Nederland op 7 augustus 1876, lengte 1.76 meter, in staat te lezen en te schrijven, wordt beschuldigd van spionage en pogingen tot samenwerken met en het verstrekken van inlichtingen aan de vijand, teneinde deze bij zijn handelingen te helpen.”

Huilend liet ze zich afvoeren. In hechtenis krabbelde ze weer wat op, vatte de moed weer samen en rechtte haar rug. Haar hoop lag nu bij de rechter. Ondertussen probeerde ze vanuit de gevangenis naar de buitenwereld haar onschuld te bewijzen. Zo schreef ze aan de Nederlandse consul in Parijs: “Sinds zes weken ben ik opgesloten in St. Lazare, beschuldigd van spionage, wat ik niet heb gedaan. Doet u voor mij wat u kunt, ik zal u er dankbaar om zijn.” Maar op 25 juli 1917 sprak de rechter toch het doodsvonnis uit. De grond zakte onder haar voeten vandaan. Gebeurt dit echt? Verbijstering, ongeloof en machteloosheid overvielen haar. “Impossible”, riep ze. “C’est impossible!”

Terug in Saint Lazare maakte de machteloosheid plaats voor woede. “Hóe dan?” Als Georges Ladoux of Pierre Bourchardon die haar verhoord had, zich ook maar éven in haar hadden verdiept, wisten ze niet beter dan dat ze niet tot spionage in staat was. En nog belangrijker: dat ze er geen énkel belang bij had. Haar leven stond in het teken van vrijheid; door niets en niemand liet ze zich commanderen of beperken. En ze hield van Frankrijk, ze was verliefd op Parijs, hoe kunnen ze nu denken dat zij haar geliefde land zou verraden?

Margaretha herinnert zich de Duitse consul Karl Cremer die vroeg of ze wilde spioneren voor Duitsland. Ze vroeg hem tijd om erover na te denken, maar onderwijl had hij haar al 20.000 francs als voorschot gegeven. Het geld kwam haar dan wel weer goed uit als compensatie voor de gemiste optredens in Berlijn en de Duitsers hadden immers nog steeds haar kostbare bontjassen die ze vanwege de oorlog niet terug kreeg. Was ze te naïef geweest?

Zelfs áls ze had willen spioneren voor de Duitsers, hoe had ze dan aan informatie moeten komen? Alsof militairen het in bed zo maar even gaan hebben over oorlogsstrategieën en wat ze van plan zijn, terwijl ze dat dan juist even willen vergeten?

Dan het gesprek met Georges Ladoux, chef van de Franse contraspionagedienst, die haar een miljoen francs bood voor spionage activiteiten. De oorlog maakte dat ze veel minder werd gevraagd om op te treden en met dit bedrag, als ze dit zou doen, zou ze financieel onafhankelijk zijn. Ze hoefde het geld ook pas als ze haar werkzaamheden had verricht, dat heeft ze nog gezegd. Waarom betichtte hij haar dan van spionage tégen Frankrijk?

De non, Léonide, die Margaretha begeleidt en eten brengt tijdens haar gevangenschap, geeft haar pen en papier zodat ze kan schrijven. Maar Margaretha wil helemaal niet schrijven. Zelfs haar grote Russische liefde Vadime niet. Die zal wel bang zijn dat haar arrestatie hem een slechte naam bezorgt. Ze kan het hem ook niet kwalijk nemen. Ze staart naar het eten dat Léonide net voor haar gemaakt heeft. “Marguerite”, spreekt zuster Léonide haar moedwillig toe. “Marguerite, je moet je nu echt gaan voorbereiden op de dood.”

Mata Hari duwt het bord ruw van zich af. Hóe dan? Wat had ze die Duitsers moeten vertellen? Misschien maakt ze nog een kans. Misschien moet ze Ladoux nog eens spreken en overtuigen van haar onschuld. Hij móet dat toch weten!?

Ze zou trouwen met Vadime en verhuizen naar haar villa in Neuilly. Ze zou weer contact zoeken met haar dochtertje Non, die ze al jaren niet gezien heeft. Dan zou ze vragen of Non bij haar wil wonen.

Tranen springen in haar ogen. Ze plaatst haar handen voor haar gezicht om zich te bedwingen en haalt diep adem. “Waarom misgunt iedereen me m’n geluk, zuster?”, vraagt ze, zonder een bevredigend antwoord te wensen.

Op de vroege ochtend van 15 oktober 1917 maakt Mata Hari zich klaar voor haar executie. De kleding had ze allang bedacht: die lange, grijze, zijden japon, met dat chique bont om haar schouders, opengewerkte kousen en een parelketting om haar hals met bijpassende oorbellen. Haar haar had ze gevlochten en opgestoken in een knot. Daarop een vilten hoed, afgezet met kersenrood lint.

Om vijf uur ’s ochtends wordt ze opgehaald uit haar cel door de commissaris rapporteur van de krijgsraad, de kapitein-griffier, de directeur van de gevangenis, haar advocaat en de dominee. Ze vertoont weinig emotie. Ferm loopt ze door de zwakverlichte hal richting de auto die haar naar Polygon van Vincennes, de plaats van haar terechtstelling, brengt.

Ze neemt afscheid van de emotionele zuster Léonide en zegt: “Ik ga dood. Maar het geeft niet. La mort n’est rien. La vie non plus. Mourir, dormir, rêver, passer, qu’importe? Et qu’importe que ce soit aujourd’hui ou demain, dans notre lit ou au retour d’une promenade? Tout est une illusion.”

[De dood stelt niets voor. Het leven trouwens ook niet. Sterven, slapen, dromen, heengaan, wat maakt het uit? En wat maakt het uit of het nu vandaag is of morgen, in bed of al terugkerend van een wandeling? Alles is een illusie.]

Begeleid door twee nonnen, een pastoor en twee inspecteurs wordt ze in Polygon van Vincennes opgewacht door een twaalfkoppig vuurpeloton. Ze weigert dat haar handen worden vastgebonden en wil ook geen blinddoek. Ze ziet lijkbleek, maar staat met geheven hoofd tegen de paal. Wachtend op het salvo kijkt ze recht voor zich uit, diep ademhalend om de spanning te bedwingen. Om kwart over zes wordt ze doorzeefd door kogels.

In 1929 zou het voormalige hoofd van de Duitse spionagedienst, kapitein Gempp, al aangeven dat Mata Hari wel geld van hun had ontvangen maar dat ze daar nooit iets voor had gedaan.

ELKE VERWOERD


Zouden haar laatste dagen zo ongeveer zijn gegaan? Op 14 oktober 2017, honderd jaar na haar dood, opent in het Fries Museum de grootste Mata Hari-tentoonstelling ooit. Aan de hand van persoonlijke bezittingen, foto’s, plakboeken, brieven en militaire dossiers ontmoet je Margaretha Zelle, het meisje achter de iconische Mata Hari.