Lekker lezen : Op e weg naar huus

In Lekker lezen, Poëzie by Raymond Muller

Foto en tekst door Raymond Muller

Ik wil forenzen over Afsluitdijk en Wâldwei, in ‘t uur blauw.
Zachtjes remmen, even wachten, en dan gluren naar hiernaast.
Alleen de motor monotoom, mijn gedachten en muziek.
Niemand bij me om te zingen, samen zijn we toch al vaak.

Ik wil forenzen langs de landen, voorbij de ondergaande zon.
In schemer schapen zien staan grazen, bijvoorbeeld, of wat koe.
Steeds dichter naar mijn stad toe, en verder van ver weg.
Gaan gedachtes naar de straten, niemand weet daar wat en hoe.

Ik wil forenzen naar de torens, waaronder Betje steevast wacht.
Zij kan alleen maar zitten, en er is niemand die haar hoort.
Een fiets tegen d’r kanes, en hoedje op d’r hoofd.
Betje met haar kienders, dronken kienders langs t spoor.

Ik wil forenzen naar mien stadsje, waar men suveul taal’n spreekt.
Suas die skuumer in ‘e Hoogstraat, hij verloor sien centen verderop.
Dikke burd, kou in’t lief, en wat heijig op ‘e klinkers.
even stoppe bij de Repel, ‘skriif maar bij mien kaartsje op’.

Ik wil forenzen naar de mensen waarlangsheen de wereld gaat,
Waar in het Rengerspark Harrold halve liters opentrekt.
Hij deelt ze braaf met Edwin, die naar de bomen kijkt.
Ze zijn niet om de vriendschap, maar om de kouwe klets.

Ongemerkt forens ik lâns Gurbe dy’t fan syn kruk trampjerret.
Sûnder jas giet ‘r nei bûten, al dy drokte, rot toch op.
Jitske ropt, kom werom, do hast nog net betelle.
Se bergt sien jas, sneon komt ‘r wer. No krûpt ‘r by ’n bankje op.

Ik wil forenzen langs us Mem, daar brandt bij Klaas ’t licht in huis.
Hij zit daar op ‘e bank met natte peuken en d’r as.
Tempo’s trachten goed te doen, jong doe nou rustig an.
Elke dag gaan moekes heen, zonder tekst die past.

Ik wil forenzen tussen water in de verte, en even stoppen in de wind.
Denken aan dat wiefke, in Bilgaard daar oppe hoek.
Guur en koud as water, in stille straten op de wacht.
Waar ging zo’n moeder dan ooit heen, die is al jaren zoek.

Ik wil forenzen naar mijn huis, onder de rode strepen in ’t ver.
Waar ’s avonds mensen leven, die ik zo nuver vind.
Voorbij de bruggen en rotondes, weet ik weer da’k niet zonder kan.
En kruip ik tegen Jitske aan, als Klaas zijn lichten dimt.

dsc03054