Lekker lezen: één week een koning, drie weken de lul

In Kort verhaal, Lekker lezen by Nena van Driel

Door Nena van Driel

Toen Lucy haar eerste eigen gulden kreeg, vroegen haar ouders wat ze er mee ging doen. “Opmaken”, had ze gezegd. Toen ze haar eigen bankrekening kreeg werd er 150 euro op gestort. Om te sparen, maar ook destijds dacht ze: opmaken.

En nog steeds wanneer ze haar maandelijkse bijdrage van de overheid ‘krijgt’, kan ze zich maar moeilijk bedwingen. Eerst dacht Lucy nog dat het met het onderdeel ‘krijgen’ te maken had, maar ook al werkte ze voor haar geld: het maakte weinig verschil. Dat intuïtieve antwoord op die eerste gulden brengt haar keer op keer in de problemen.


Het is december en Lucy’s bankrekening is net gevuld. Ze besluit naar Leeuwarden te gaan om zich te laten betoveren door de met versiering verlichte straten en zich onder te dompelen in een overdosis nostalgie.

Ik heb nog ontbijt thuis, maar het lijkt me ineens een supergoed idee om op Amsterdam-Centraal een vers broodje en een belachelijke Starbucks koffie te halen. Onderweg naar het perron passeren twee jongens mij en ik vang een zweem van hun gesprek op.
“…Dat wat, man?”
“Gewoon gast, dat het nooit gaat gebeuren.”

Ik vraag me af wat hij ermee bedoelt. Wat gaat er volgens hem nooit gebeuren? En waarom vraagt deze gast het zo geagiteerd? Zou hij ook bang zijn dat iets voor hem nooit gaat gebeuren? Of duwt die jongen zijn existentiële vraagstukken aan de lopende band in zijn gezicht?

Oogcontact vermijden wanneer er een stroom mensen de coupé binnen dreunt: er blijkt geen ontkomen aan. Een muffige, oude vrouw gaat naast me zitten. De rest van haar reis werpt ze afkeurende blikken richting mijn voet, die op het kleine prullenbakje leunt. Ik kijk alle vlogs van Henry van Loon. Ik scrol met mijn duim over mijn telefoonscherm alsof het een wedstrijd is.

Ergens wordt luidruchtig gebeld over het ziektebeeld van iemands aanstellerige schoonzus. Een klein meisje verkleed als Piet, kotst haar pepernoten uit over het gangpad en na twee lijdzame uren stap ik uit in de mooiste stad van het Noorden. Het was het allemaal waard. Ik snuif de lucht op die écht heel verfrissend is en m’n benen brengen me zo snel mogelijk naar het terras.

Ik sluit me aan bij Alex, Luuk, en Berend. Ze hebben zich zeker niet verveeld op deze zonnige winterdag, want het is me snel duidelijk dat ze al urenlang zitten te zuipen. Luuk oppert op een totaal willekeurig moment dat voornemens ‘voor de achterlijke’ zijn. Binnen een minuut of drie hebben ze het punt bereikt van de grote voornemens. De gróótse voornemens van 2017: unieke ondernemingen, nieuwe liefdes, afrekeningen en verhuisplannen worden tot in den treure besproken. Berend bestelt champagne om in de sfeer te blijven en na de tweede fles besluiten we ergens wat te gaan eten. Berend wil enorm graag mee, maar heeft geen geld. Een probleem bij ons allen bekend. “Ook voor die bubbels niet trouwens, man”, Berend zegt het alsof dat meer dan logisch is en slaat Alex op zijn schouder; die is de lul. Ik besluit te betalen, want, hé, ik ben toch rijk.

We eten als bazen, lachen als helden en we drinken ons zoals de jongens zeggen: een stuk in de kraag.

Iedereen is uiteindelijk sjaak-afhaak, behalve Alex en ik. We staan in de bovenbar van een club die eigen-lijk de benaming club niet verdiend en daardoor sporadisch fantastisch.

Hoeveel bier ik heb gedronken is een onzinnige vraag. Hoeveel geld ik heb uitgegeven is een abstracte gedachte. Dat het laat is, zie ik. Op de klok. Achter de bar, waar het meisje met haar enthousiasme en dans-pasjes uit de toon valt.

Alex staat wat verloren aan de rand van de dansvloer. Een jongen met gel-haar springt in de danspaal en gaat er voor. En ik, ik hang aan de bar alsof ik elk moment kan bezwijken, maar dat doe ik niet. Ik bestel nog twee bier. De kerstverlichting dringt zich hysterisch aan me op.

Aan de andere kant van de bar zit een stelletje. Een kalende dertiger die lijkt te leven op pindakaas en magnetron-maaltijden. Aan zijn arm gehaakt een blond meisje met zoveel make-up op, dat het lijkt alsof ze met een plamuurmes voor de spiegel heeft gestaan. Het was vast niet de bedoeling. Als zombies staren ze naar het camerascherm aan de muur. Een groezelig beeld van de club beneden: enkele lui dansen bezeten van de nacht op de verlichte dansvloer. Het stel ontroert me, denk ik, en ik moet lachen. Of misschien wel janken. Om hen, of misschien wel om alles. En op één of andere manier vind ik dat het de schuld is van mijn ouders. Om die domme gulden die ze me ooit gaven en ik heb het idee dat… dat wat? Gewoon gast, dat het nooit gaat gebeuren.