“Het Namenspel”

In Kroegverhalen, Stadse Zaken by Zander Lamme

Door Zander Lamme

Al maanden hadden Forse Jongen en Satte elkaar niet meer gezien. Forse Jongen was naar een zonnige stad in het zuiden van Europa verhuisd en sindsdien hadden de twee vrienden alleen nog maar via de telefoon contact gehad. Satte bracht zijn avonden in Leeuwarden nu met name met Lou en Cornelis door, maar dat begon hem op den duur te vervelen.

”Waarom kom je niet een tijdje hier?”, had Forse Jongen, die zijn goede vriend altijd haarfijn aanvoelde, gevraagd. En dus was Satte naar het zuiden gevlogen.
Bij het weerzien omhelsden de twee elkaar langer dan ze gewend waren. ”Waar gaan we naartoe?”, vroeg Satte, die slechts een heel klein tasje bij zich had.
”Naar een barretje, lijkt me”, antwoordde Forse Jongen. ”We gaan met een taxi. Dat kost hier maar vijf euro. Wist je trouwens dat een biertje hier ook maar tachtig cent kost?”
”Dat heb je me aan de telefoon al een paar keer verteld.”
”Ik kan het niet vaak genoeg benadrukken.”

Forse Jongen stapte voor in de taxi en sprak met de chauffeur. Hij noemde de naam van een bar die Satte niet kon verstaan en de taxi vertrok. Na een kwartiertje stopte het voertuig in een nauw omhoog lopend straatje en stapte het duo uit. ”Kijk, dit is een van de eerste barretjes die ik bezocht. Ik ben er sindsdien bijna iedere dag geweest.”
Satte keek de straat in. Aan beide kanten zat het propvol met barretjes. Waarom Forse Jongen juist deze had uitgekozen, was hem een raadsel. Het kroegje, dat aan de binnenkant was behangen met blauwe tegeltjes, was helemaal leeg. ”Is het daar niet veel leuker?”, wees Satte naar de overkant.
”Nee, dit is machtig!”

Satte keek nog eens goed. Aan de gevel hing een bord met de bierprijzen erop gekrijt. Het bord verduidelijkte waarom deze kroeg zo ‘machtig’ was: een halve liter bier kostte slechts een euro. ”Prima. Als jij het machtig vindt, gaan we hier naar binnen.”
”Wat doe jij hier eigenlijk de hele dag?”, vroeg Satte zijn vriend, terwijl de mannen een flinke plastic beker met bier in hun handen hadden.
”In de ochtend werk ik een paar uurtjes, en dan ga ik naar de bar.”
”Dat dacht ik al”, lachte Satte.

Een half uur lang spraken ze over elkaars leven. Forse Jongen over alle kroegen in zijn nieuwe stad, Satte over zijn werk en leven thuis. Daarna viel het stil. Er was weinig veranderd in de maanden dat ze niet meer in dezelfde stad leefden, concludeerden ze, en dus viel er niet veel over te zeggen.
”Laten we het dierenspel doen”, stelde Forse Jongen na een paar minuten voor.
”Aap”, antwoordde Satte.
”Pinguïn.”
”Naaktslak.”
”Kever.”
”Ringsta…”

”Waarom doen we dit niet met namen van mensen die we kennen?”, onderbrak Forse Jongen. ”Bij iedere naam moet je een verhaaltje vertellen over diegene.”
”Eh, oké”, antwoordde Satte vertwijfelend.
”Japie Rabo, oud-nachtburgemeester van Leeuwarden. Speelde gitaar, was een echte rockster en hield van zuipen.”
”Odi Saturnus, chefkok en eigenaar van restaurant De Loodgieter.”
”Sjoeke Kingma, landschapsschilder die ooit in het bezit bleek te zijn van de jas van mijn oom Piet en tante Hennie.”
”Arnold Kleermaker, goede bekende van ons, over wie het verhaal ooit ging dat hij een tijdje in een fietstas heeft gewoond.”
Forse Jongen schoot in de lach. ”Dat is ook zo. Wat een verhaal was dat. Later verzonnen we dat hij ook een tijdje in een envelop woonde. Gelukkig heeft hij die niet dicht gelikt, dan zat hij er nog steeds.”
De vrienden lachten en keken voor zich uit. Ze merkten dat de halve liter er harder was ingeslagen dan ze van te voren hadden kunnen vermoeden en het noemen van namen van bekenden bracht ze weer bij hun favoriete onderwerp.

”Ik mis Leeuwarden, man”, zei Forse Jongen.
”Ik ook, terwijl ik hier nog maar net ben.”
”Misschien moeten we de volgende keer daar weer afspreken.”