“Hans”

In Column by Gastschrijver

Door Herman Langgraf

Ik bewonder vaak de verkeerde mensen. Dat bedoel ik niet in morele zin. Het zijn niet de charismatische charlatans of de leiders met een kwade inborst die ik bewonder om vervolgens bedrogen uit te komen. Nee, zelf ben ik eigenlijk nooit de dupe van mijn neiging de verkeerde mensen te bewonderen. Het zijn die verkeerde mensen zelf, die ik met mijn bewondering dupeer.

Neem nou Hans.

In de kleine gemeenschap waar ik als kind opgroeide, was het eens per jaar gebruikelijk dat de jongens van de lagere school met jongens van lagere scholen uit omringende dorpen deelnamen aan een voetbaltoernooi.

Natuurlijk deden niet alle jongens van onze school daaraan mee, maar ik was groot en sterk genoeg en de klassen waren klein genoeg om mij drie jaar lang mee te laten doen. Weken van tevoren werd er getraind. Die trainingen waren openbaar, maar werden desondanks nooit door nieuwsgierigen bezocht. En al ging het er niet bijster professioneel aan toe, we raakten wel enigszins op elkaar ingespeeld en het werd duidelijk wie er wel en niet goed genoeg waren om in aanmerking te komen voor selectie.

De beste spelers waren de tweeling. De ene was een rustige jongen. De andere was een branie die een waar schrikbewind voerde, waar ik, twee jaar jonger en evenveel klassen lager, weinig last van had. Hoewel dus heel verschillend van karakter waren het beide goede voetballertjes, naar de maatstaf van een kleine gemeenschap.

Een ander jongen uit de hoogste klas, Hans, een boerenzoon die buiten het dorp woonde, aan de andere kant van het spoor, had voeten die naar binnen wezen. Wanneer hij de bal raakte, deed hij dat met de buitenkant van zijn rechtervoet. Dat was zelden efficiënt. Bovendien was hij nogal traag en makkelijk te passeren. Maar als hij dan eens de bal een schop gaf, dan krulde de bal altijd op een manier die mij trof als buitengewoon prettig om naar te kijken. Zijn schoten gingen alle kanten uit, maar voldeden aan wat ik van af toen als belangrijkste voorwaarde voor voetbal beschouw. En als mijn woordenschat toen zijn huidige omvang had gehad, dan zou ik die voorwaarde eenvoudigweg ‘esthetiek’ hebben genoemd.

In de week voor het voetbaltoernooi moest er een aanvoerder gekozen worden. Zonder dat ik mij daar bewust van was, was het voor iedereen duidelijk dat de strijd om het leiderschap zou gaan tussen de stille en de brutale van de tweeling. Alleen de geselecteerde jongens mochten hun stem uitbrengen. De uitslag was een close finish. Één voor één werden de briefjes opengevouwen en werd er een naam voorgelezen. Uiteindelijk won de brutale. Dat was waarschijnlijk ook de beste keuze. Hij praatte veel en makkelijk. Ook was hij niet bang om zijn mening te geven en anderen letterlijk op hun plek te zetten.

Tijdens het voorlezen van de namen was er een moment waarop er rumoer ontstond. ,,Hans”, klonk het. Iedereen keek zwaar verontwaardigd richting de boerenzoon met de naar binnen gekeerde voeten. ,,Wie heeft er nou op mij gestemd”, probeerde hij nog oprecht zijn gezicht te redden. Maar iedereen was er van overtuigd dat hij op zichzelf had gestemd en liet dat met collectief venijn merken. Tijdens het hele toernooi heeft hij het moeten weten.

Ik besefte mij dat ik een grote fout had gemaakt. Ik had op een van de tweeling moeten stemmen. En tevens besefte ik mij dat ik de verkeerde had bewonderd.