Het inzicht van vallen en opstaan

In Column by Elke Verwoerd

Door Elke Verwoerd

Met een noodgang fiets ik op het Vliet, wind mee, recht toe recht aan met de wind in m’n haar. Net voorbij de rotonde staat een wit busje half op het fietspad, maar ik kan er net langs in m’n vaart. Plotseling komt er een jongen vanachter de bus tevoorschijn. Ik kan niet meer wijken en voel de klap. Mijn schouder tegen de zijne.

“LUL”, schreeuw ik, gevolgd door een hoog: “Woeeeeehh!”.  Ik slinger. Neeeeeeee, klinkt het in mijn hoofd en in een flits denk ik aan mijn tas, mijn twee euro zonnebril, mijn iPhone. Ik probeer voet aan de grond te krijgen, maar ik ben al te laat. Mijn been zakt onder mijn fiets en voor ik het weet lig ik op straat. Face down besef ik wat er is gebeurd. Met de schaafwonden op m’n handen wil ik huilen als een kind dat is gevallen, maar bij de eerste ‘wèhh’ stop ik: verdorie, ben wel volwassen, hey. Ik sta gelijk op, trillend. “Wat flik je me nou, man”, reageer ik boos. De jongen die ik zojuist aanreed, tilt welwillend m’n fiets op. Een voorbijganger laat me op haar bagagedrager zitten. Alles is heel, zelfs mijn twee euro zonnebril, behalve mijn knie: een scheur in mijn broek met een rode vlek, eronder een flinke schaafwond en een beginnende blauwe plek, mijn linkerhand onder het bloed. Hij vraagt of ik naar het ziekenhuis moet. “Nee, nee, ben voornamelijk geschrokken. ‘”Een lift naar huis dan’, vraagt hij, heel betrokken. Een kort ogenblik twijfel ik of dat wel te vertrouwen is, maar m’n gehavende handen en knie maken dat ik met een grimas ‘heel graag’ antwoord.

En zo gaat mijn fiets in zijn busje, waar hij even eerder zo onverwachts achter weg sprong. Ik vraag hem of hij geen pijn heeft, wat hij ontkent. Eenmaal voor mijn deur vraagt hij nogmaals: “Are you ok?” Waarop ik antwoord: “Ja joh, het valt allemaal mee.” Ik hink de trap op als een wrak, dan besef ik pas dat hij geen woord Nederlands sprak. Gewoon een heel behulpzame jongen uit Irak.