“De Zatlap”

In Kroegverhalen, Stadse Zaken by Zander Lamme

Door Zander Lamme

Woest bewogen Cornelis’ ogen van de ene kant van de bar naar de andere kant. De kleine adertjes in zijn oogwit leken zowat allemaal te zijn gesprongen. Niemand in het café de Misthoorn durfde hem aan te kijken. Iedereen was bang om, eenmaal zijn blik te hebben gevangen, minutenlang te moeten luisteren naar het geraas van de zatlap.
Ook Satte staarde bewust strak voor zich uit. Hij vroeg zich af of hij zelf ooit, zoals zijn goede vriend, in een bar had gestaan. ,,Hopelijk niet’’, mompelde hij. ,,Sorry, wat zei je?’’, vroeg de barman.
,,Niks.’’
,,Waarom zit je dan zo te mompelen?’’
,,Ik was in mezelf aan het praten. Maar weet je wat? Ik wil wel graag een portie nacho’s.’’
,,Prima’’, zei de barman en hij liep weg om de bestelling door te geven.
,,Satte!’’, riep Cornelis. Het gesprek met de barman had de stilte in het café doorbroken en was voor Cornelis de ideale aanleiding om iemand aan te spreken. ,,Satte!’’, riep hij nogmaals.
,,Ja, Cornelis, wat moet je?’’
,,Kom eens mee naar buiten. Ik moet even met je praten.’’
Satte zuchtte, maar bedacht dat het voor de andere mensen in de bar misschien beter was als Cornelis ze niet kon lastig vallen.
,,Je moet minder drinken, Satte’’, begon Cornelis buiten onder de parasol die deze nacht vooral diende als paraplu. ,,Zo’n beetje iedere dag zit je in de kroeg en weet je wat het is? Je vlucht voor het leven en sleept iedereen om je heen mee de afgrond in.’’ Cornelis nam een trekje van z’n sjekkie en viel tegen de middenpaal van de parasol. Zijn eigen val negerend vervolgde hij zijn monoloog. ,,Je moet hulp zoeken, want je kan dit niet meer alleen oplossen.’’
De nuchtere Satte bekeek zijn stomdronken vriend. Hij voelde zich in het geheel niet aangesproken. Er tegenin gaan, zou het alleen maar erger maken, dus besloot hij te zwijgen en naar binnen te gaan. ,,Ja, ga maar weg!’’, schreeuwde Cornelis hem na. ,,Je durft de waarheid niet onder ogen te zien!’’
,,Wat is er met Cornelis aan de hand?’’, vroeg Satte de barman binnen, terwijl hij buiten de parasol heen en weer zag bewegen. De bestelde nacho’s stonden inmiddels bij zijn kruk op de bar.
,,Geen idee. Misschien zit z’n kaartje hem wel dwars.’’
,,Is die zo hoog dan?’’
,,Driehonderd euro, geloof ik.’’
Cornelis kwam weer binnen en trok zijn jas aan, die hij bij het roken op de kruk had laten hangen. ,,Ik ga.’’
Satte knikte. Hij had geen zin uitgebreid afscheid te nemen. ,,Wacht eens even, wat is dit?’’, begon Cornelis vrolijk. Hij trok zijn jas weer uit, hing hem op zijn kruk en ging naast Satte staan, die onmiddellijk een enorme vleug zweet, oude alcohol en muffigheid rook. ,,Als er nacho’s zijn, blijf ik nog even! En kastelein, zet nog maar een biertje op m’n kaartje.’’
De hand van Satte ging naar de schaal in een poging een chipje te pakken, maar Cornelis’ hand was hem voor. Zijn lange vingers sloten zich om bijna de helft van de portie. Langzaam bewoog de hand zich daarna naar de lucht. ,,Nacho’s zitten aan elkaar vast gesmolten door de kaas, dus moet je het kapot maken.’’ Cornelis smeet het eten op het bord. ,,Zo dus.’’
Het gedrag deed Satte denken aan dat van een lammergier, die hij ooit eens had gezien. Die gieren pakken botten van de grond en laten ze van grote hoogte vallen op de rotsen om ze kleiner te maken.
Hij keek opzij. Cornelis stond met zijn ogen dicht tegen de bar geleund en kauwde op de chips. Uit zijn linker mondhoek sijpelde een klodder kwijl. Twee jonge meisjes aan de bar keken geschrokken een andere kant op.
Satte besloot naar huis te gaan. De avond in het café was alles behalve plezierig geweest.

 

De volgende ochtend liep Satte langs de Misthoorn. Om het pand was een rood-wit politielint gespannen. ,,Wat is er gebeurd?’’, vroeg hij de barman die buiten stond te roken.
,,Er is ingebroken.’’
,,Wat is er meegenomen?’’
,,Niks, alleen de bak met kaartjes.’’