Ochtendritueel

In Column by Redactie

Door Wypkje Hettinga

“Och, iedere ochtend moet ik toch écht nog even een paar minuutjes snoozen, hoor.” Ja, ik ook. “En soms wel twee keer!” Oh, gek persoon dat je bent. Ik doe dat ook, en ik denk de hele wekker bezittende wereldpopulatie met jou. Net als douchen, brood smeren, ontbijten, tanden poetsen, proberen niet over de kat te struikelen terwijl ik goedgezind eten in zijn bakje wil doen, alles uit mijn kast trekken om tot een redelijk vertoonbare outfit te komen, op mezelf schelden omdat ik geen leuke schoenen meer heb, tien minuten uittrekken voor het bedenken van een plan om snel aan geld te komen zodat ik nieuwe schoenen kan kopen, mijn spullen bij elkaar rapen, mijn portemonnee niet kunnen vinden, afwegen of ik die die dag echt nodig heb, bedenken dat er toch geen rooie stuiver in zit, de deur uitstappen met het idee dat ik alsnog van alles vergeet en op de fiets stappen om te beseffen dat dit inderdaad zo is, maar ik te lui ben om terug te gaan, behoort dit tot mijn ochtendritueel.

Maar naast dit ontzettende saaie en vermoeiende ritueel, neemt iets heel anders mijn volledige ochtend in beslag. ’s Ochtends verdoem ik de wereld, en alles wat de wereld draagt. In de ochtend kijk ik naar buiten en haat ik de lucht. Ik luister naar het liefelijke geklaag van mijn kat en ik vind dat ‘ie z’n bek moet houden. Ik haat het brood dat ik smeer, gewoon, omdat het zo broderig is. De douche is wel warm, maar in de badkamer is het koud dus dat is kut. Zo is een schouder telkens een ijsblokje. Ik zou liever in bad willen gaan maar dat duurt allemaal zo lang dus dan moet ik eerder opstaan en dat is ook kut. ’s Ochtends word ik geconfronteerd met de kou, met mijn gezicht, met het feit dat ik veel gezonder zou moeten leven en eigenlijk een smoothie zou moeten maken in plaats van brood te smeren en ik word geconfronteerd met dat de wereld gewoon een kutplek is.

Niet dat een andere plek beter zou zijn, want er is geen hemel en er is geen hel en leven op een andere planeet blijft, helemaal met mijn budget, onmogelijk. Maar ik zag bijvoorbeeld deze week een beeld van een journaliste die een man, een vluchteling, onderuithaalde. Hij droeg zijn kind in zijn armen, en zijn warme, beschermende greep was opeens als een blok beton, zoals die op zijn kindje viel. Wie doet nou zoiets? Wie heeft nou zoveel onaardigheid in zich dat ‘ie zoiets zou doen? Ik ga met die gedachte, vooral met die frustratie, naar bed en zo word ik dus ook weer wakker. In de verschrikkelijke grijze lucht zie ik dat rotmens. Dat brood wat ik eet, dat eet zij vast ook. Misschien gaat ze ook wel liever in bad dan dat ze doucht, en ik haat dat. Zulke mensen zijn er op de wereld en dus, zulke mensen zijn de wereld.

Als de ochtend overgaat in een middag verlies ik mijn hopeloosheid en ontstaat er interactie met andere mensen. De lucht wordt weer wat blauwer. Mijn vriend trapt gelukkig geen vluchtelingen, en die vrouw die ik net aan de telefoon sprak, die doet volgens mij ook geen vlieg kwaad. ’s Middags eet ik gulzig mijn gesmeerde brood en als ik thuis kom, misschien koud van de grijze lucht die even blauw leek, stap ik dankbaar onder de douche. Dan is het opeens weer avond, en de televisie gaat weer aan. Eraan ontkomen doe ik niet, iedere keer zie ik weer zo’n rotzak, die de volgende dag voor mijn ochtendritueel zal zorgen. Ik neem het mee naar bed, en ik sta ermee op.