Raspatat

In Kort verhaal, Lekker lezen by Sierd van der Bij

Door Sierd van der Bij

 

Mooie tijden waren dat. Het was dan een uur of twee, in de middag of in de nacht, dat kwam niet zo precies. Als de stad Henk Peppi even te veel werd, dan gingen we er uit. Als het even kon, stopten we in Giekerk bij die ene toko met die rare naam. “Beste snackbar van Friesland, weestest dat wel?”, vroeg Henk iedere keer terwijl hij het ene bakje raspatat na het andere naar binnen veegde. Het was vaak maar een tussenstop, want hij zou en hij moest dan naar Kollumerzwaag. Ik wist dat deze uitstapjes zakelijke redenen hadden, maar daar hoefden we het niet over te hebben. De halve provincie noemde hem heus niet Peppi omdat zijn broer op Tokki leek. Kollumerzwaag, godsamme. Je wilde er dood niet gevonden worden, maar toch vond je er in die dagen ieder weekend wel een handvol halfdode geesten.

Op een avond ontmoetten we Douwe. Douwe kwam uit Dokkum. Het kraagje van zijn polootje omhoog, wat gel in zijn Idols-kuifje en een zilveren ketting om de nek. Ik kan er nooit zo goed aan wennen dat ze in uit de hand gelopen dorpen als Dokkum een soort van Liwwadders proberen te praten. Iemand legde mij eens uit dat Dokkum dus ook stad is, maar dat heb ik nooit zo goed begrepen. Bouw eerst maar eens een Vrijheidswijk, hebben we het er dan nog eens over. Dat soort dingen moest je niet zeggen in die contreien. Nee, beter zei je dat niet aan de bar in Piet Prins.

Of ik uit Leeuwarden kom, vroeg een stevige dame vanachter de bar in een soort Fries dat ze zelfs in Snakkerburen niet verstaan. Dat had ze beter niet kunnen vragen. Alle ogen richtten zich op ons. Het was even stil. “Jazeker,” zei Peppi. “Even een rondsje Flügel voor jullie allemaal nou.” Een aantal Wâldpyken keek ons aan alsof we misschien toch uit Groningen kwamen. Peppi had gestudeerd.

Ik wist dus niet dat Peppi code sprak. Dat rondje Flügeltjes ging helemaal niet om die kleine flesjes afwasmiddel. Douwe stond op van de bar en liep naar achteren richting de wand met dartborden. Een paar van die halve rednecks met Lonsdale truien volgde zijn voorbeeld. Voor Peppi was dit het startschot. Als een soort Spud uit Trainspotting veerde hij overeind, haalde zijn neus op en marcheerde naar de statafel waar het lokale gespuis op hem hing te wachten. “Heren, de Flügel is weer langs gevlogen”, zei hij met een jaloersmakende dosis zelfvertrouwen. Uit zijn binnenzak haalde hij een envelop, en uit de envelop haalde hij een hele verzameling kleinere envelopjes. Sealtjes noemde hij het. Fascinerend vond ik het. Ik was getuige van een drugsdeal. Het had ook een vergadering van de Elfstedenvereniging kunnen zijn, maar dat deed er niet toe. Een drugsdeal. In Kollumerzwaag. Ik wist ook niet waar we waren. Ergens bij Kollum, dacht ik.

Na een minuut of vijf kwam Peppi terug naar de bar en vroeg me of ik nog wat wilde drinken. Ik vroeg om een kopstoot. Hij tikte op de bar en de stevige dame van eerder kwam naar ons toe. “Een kopstoot en een baco graag.” Ze knikte en begon aan haar taak. “Deze hewwe ze ook niet bij daglicht maakt”, fluisterde Peppi naar me. Ik lachte. “Nee, die het wel vaker raspatat eten.”